English-Dutch Dictionary - A

- (1) . (1) 0 (1) 1 (73) 2 (20) 3 (23) 4 (23) 5 (20) 6 (20) 7 (20) 8 (20) 9 (19) A (111) B (47) C (83) D (40) E (39) F (48) G (21) H (29) I (47) J (13) K (5) L (17) M (47) N (11) O (36) P (62) Q (2) R (35) S (93) T (564) U (14) V (10) W (53) Y (10) Z (3)
Englishsort descending Dutch Recording Learn
a bank een bank Learn
a bus een bus Learn
a chicken een kip Learn
a contract een contract Learn
a cow een koe Learn
a flower een bloem Learn
a fork een vork Learn
a friend een vriend Learn
a knife een mes Learn
A license is an official permission from the government to carry out a particular activity. Een vergunning is een officiële toestemming van de overheid om een bepaalde activiteit uit te voeren. Learn
a lot of veel Learn
a man een man Learn
a mouse een muis Learn
a pro-active approach een pro-actieve aanpak Learn
a purse een handtas Learn
A reconstruction of an eventful day. Een reconstructie van een bewogen dag. Learn
a room een kamer Learn
a sheep een schaap Learn
a student een student Learn
a table een tafel Learn
a television een televisie Learn
A tortoise is slow. Een schildpad is traag. Learn
a translator een vertaler Learn
a vegetable een groente Learn
a while; just even Learn
a wolf een wolf Learn
a written test een schriftelijke proef Learn
a; an een Learn
abductor ontvoerder Learn
above boven
absence verzuim Learn
absence through illness ziekteverzuim Learn
absent afwezig
acceptable aanvaardbaar
according to; depending on naargelang
activity activiteit Learn

Pages