English-Dutch Dictionary - A

- (1) . (1) 0 (1) 1 (12) 2 (3) 3 (3) 4 (1) 5 (1) 6 (1) 7 (1) 8 (1) 9 (1) A (84) B (40) C (73) D (38) E (37) F (37) G (16) H (25) I (44) J (13) K (3) L (12) M (42) N (9) O (34) P (54) Q (2) R (29) S (85) T (498) U (14) V (8) W (45) Y (9) Z (3)
Englishsort descending Dutch Recording Learn
A license is an official permission from the government to carry out a particular activity. Een vergunning is een officiële toestemming van de overheid om een bepaalde activiteit uit te voeren. Learn
a lot of veel Learn
a pro-active approach een pro-actieve aanpak Learn
A reconstruction of an eventful day. Een reconstructie van een bewogen dag. Learn
A tortoise is slow. Een schildpad is traag. Learn
a while; just even Learn
a written test een schriftelijke proef Learn
a; an een Learn
abductor ontvoerder Learn
absence verzuim Learn
absence through illness ziekteverzuim Learn
acceptable aanvaardbaar
according to; depending on naargelang
activity activiteit Learn
adjective bijvoeglijk naamwoord Learn
adjective (adjectival part) bijvoeglijk Learn
adjective (noun part) naamwoord Learn
adjustment aanpassing Learn
advance tax payment; withholding tax voorheffing Learn
advance; march opmars Learn
adverb bijwoord Learn
after na Learn
after the 1967 Six-Day War na de zesdaagse oorlog van 1967 Learn
against tegen Learn
agency; institution instelling Learn
agreement akkoord Learn
air lucht Learn
air pollution luchtverontreiniging Learn
airway luchtweg Learn
all al Learn
all (long form) alle Learn
all those generous salaries al die riante salarissen Learn
ally bondgenoot Learn
almost bijna Learn
also eveneens Learn
American Amerikaanse Learn