Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - A

0 (1) 1 (23) 2 (4) 3 (7) 4 (9) 5 (6) 6 (4) 7 (6) 8 (4) A (1367) B (626) C (1008) D (695) E (439) F (572) G (336) H (831) I (1406) J (102) K (67) L (429) M (594) N (319) O (331) P (735) Q (29) R (441) S (1498) T (5971) U (131) V (115) W (862) Y (304) Z (13)
English Dutch Recording Learn
a number of conditions

een aantal voorwaarden

a number of sanctions

een aantal sancties

a nutshell

een notendop

A one-way ticket, please.

Enkele reis, graag.

a particular neighbourhood

een bepaalde wijk

a paw

een poot

a pebble

een steentje

a person of flesh and blood

een mens van vlees en bloed

a personality

een persoonlijkheid

a pharaoh

een farao

a phoenix

een feniks

a piece of cake

een fluitje van een cent

a piece of chalk

een stukje krijt

a piercing scream

een doordringende gil

A pile-up happened during rush hour.

Een kettingbotsing gebeurde tijdens de spits.

A pinstripe is a classic pattern.

Een krijtstreep is een klassiek patroon.

a plague

een plaag

a plaintiff

een eiser

a plate

een bord

a plea

een pleidooi

a pleasant holiday

een deugddoende vakantie

a point of contact

een aanspreekpunt

a poisonous comb

een giftige kam

a poisonous snake

een gifslang

a poke

een por

A pole is a stick used to jump over objects.

Een polsstok is een stok die gebruikt wordt om over objecten te springen.

A poll showed that 79% felt themselves hampered in their right to vote.

Uit een poll blijkt dat 79% zich belemmerd voelde in zijn stemrecht.

a positive attitude

een positieve ingesteldheid

a postcard and memories

een ansicht en herinneringen

a postposition

een achterzetsel

a powder puff

een poederdons

a preventive measure

een preventieve maatregel

a prison sentence

een gevangenisstraf

a prison sentence

een celstraf

a prison sentence of between 2 and 3 years

een gevangenisstraf tussen 2 en 3 jaar

a pro-active approach

een pro-actieve aanpak