Understand spoken Dutch

"knew (singular)" Practice Dutch lesson

Recording English Dutch Status
I knew ik wist
I thought you knew that. Ik dacht dat je dat wist.
I knew you’d come. Ik wist wel dat je zou komen.
Yanni knew what he had to do. Yanni wist wat hij moest doen.
She didn’t know what she could do here. Ze wist niet wat ze hier zou kunnen doen.
he didn’t know how to behave himself het wist zelf niet, hoe het zich zou houden
I didn’t know that Tom couldn’t speak French. Ik wist niet dat Tom geen Frans kon spreken.
I had no idea that Tom was your son. Ik wist niet dat Tom jouw zoon was.
I wish everyone knew this. Ik wou dat iedereen dit wist.
I had no idea that Mary was your wife. Ik wist niet dat Mary jouw vrouw was.
I had no idea that Mary was your daughter. Ik wist niet dat Mary jouw dochter was.
I was a kid and didn’t know any better than that it would never pass ik was een kind en wist niet beter dan dat ’t nooit voorbij zou gaan
Didn’t you know Tom was married? Wist je niet dat Tom getrouwd was?
I knew you were trouble the minute I saw you. Zodra ik je zag, wist ik dat je ellende zou brengen.
Yanni knew his family was poor. Yanni wist dat zijn familie arm was.
I had no idea that you could cook so well. Ik wist niet dat je zo goed kon koken.
I wonder if Tom knew we had to do that. Ik vraag me af of Tom wist dat we dat moesten doen.
The poor duckling did not know what to do Het arme eendje wist niet, hoe het zich zou wenden of keren
I knew you’d mess things up. Ik wist dat je het ging verprutsen.
I had no idea that Mary was your granddaughter. Ik wist niet dat Mary jouw kleindochter was.